Esmoreit

Onze toneelvereniging heet “Esmoreit”, maar waar staat dat eigenlijk voor?

Prins van Sicilië

Het eerste van de vier abele spelen, verhaalt de belevenissen van Esmoreit, de zoon van de koning van Sicilië, die als kind wordt gestolen en aan het hof van Damascus als vondeling wordt opgevoed door prinses Damiët. Esmoreit ontdekt zijn ware afkomst, wordt koning van Sicilië en huwt Damiët. Een rechtstreekse bron is nooit gevonden; wel is verwantschap aangetoond met de 14de-of 15de-eeuwse roman van Baudoyn, conte de Flandre en met de verhaalstof in het volksboek van Joncker Jan wt den Vergiere (ca 1590) en het middelhoogduitse gedicht Johan 1.1Z dem Vergiere, die beide moeten berusten op een verloren gegane Middelnederlandse roman. Het spel munt uit door argeloze eenvoud en onbevangenheid

Abele spelen

De naam die het zogenaamde Hulthemse handschrift (waarin ze zijn opgenomen) geeft aan de vier oudst bekende wereldlijke spelen in de Middelnederlandse letterkunde. Te oordelen naar de taal dateren ze uit ca 1350. Auteur(s_ en bronnen zijn onbekend, al lijkt het dat verscheidene in de middeleeuwen gangbare motieven zijn verwerkt. De stukken zijn uniek in de Europese letterkunde en van groot belang voor de geschiedenis van het toneel. Abel betekent kunstig. Voor de betekenis van schoon, die sommigen prefereren, is geen doorslaggevend argument te geven.

De abele spelen werden zeer waarschijnlijk geschreven in het grensgebied van de huidige Belgische provincies Brabant en Limburg. De titels zijn Esmoreit, Gloriant, Lanseloet van denemarken en Vanden Winter ende vanden Somer. Ze behandelen een liefdesthema en draaien telkens om twee hoofdpersonages: Esmoreit en Damiët, Glorian en Florantijn, Lanseloet en Sanderijn, Winter en Somer (deze laatste twee allegorisch bedoeld). Het verloop van het verhaal beheerst alles en stoort zich niet aan onwaarschijnlijkheden. Eenvoudig – niet naïef – zijn de abele spelen; erdoorheen loopt vaak ontroerende en verheffende menselijkheid.

Hulthemse handschrift

Een der rijkste verzamelcodes der middelnederlandse letterkunde, genoemd naar K. van Hulthem, tot wiens collectie het behoorde van 1811 tot 1832. Het manuscript, ca 1410 afgeschreven, bevat in de staat waarin het is bewaard – een aantal bladen ontbreekt-210 stukken, waarvan 185 in verzen, de andere in proza. Door zijn inhoud weerspiegelt het de epische, lyrische, didactische poëzie van de 13de en 14de eeuw.

De abele spelen Esmoreit, Vanden Winter ende vanden Somer, Gloriant, de sotternieën Lippijn, Rubben, De buskenblaser, Drie dafhe Here, Truwanten en de berijmde legende van Theophilus zijn uitsluitend hierin overgeleverd. Verder bevat het o.a. Lanseloet van Denemerken, Van Sinte Brandane, dBoec vanden Houte, tPrieel van Troyen en tPaerlement van Troyen van Segher Diengotgaf, Die borchgravinne van Vergi, het mooie gedicht De mantel.

0 van eren, een negental boerden, vele ‘bispele’, rijmspreuken, wereldlijke liederen, stichtelijke poëzie, allegorische gedichten, werk van auteurs als Augustijnken van Dsordt, pieter van lersele e.a.